Paradijselijk

Het weer is als mijn hoofd met de hoop op een regenboog. Daarvoor zal de zon dan wel eerst moeten gaan schijnen. Dat doet ‘ie natuurlijk ook, maar de volle wolken houden hem mistig uit het zicht. Ze plassen of ze huilen. Misschien lopen ze over, dat doe ik ook wel eens. Stel je voor dat er emmertjes in de lucht zouden bungelen, tot aan de rand gevuld. Daar valt de laatste druppel! Het emmertje wiegt, helt over naar die ene kant en ....
Zullen het de emmertjes van God zijn? Misschien heeft Hij ze wel geschapen. Maar wanneer? Voor of na de schepping van de mensheid?

Kan je een beetje tegen herrie en met chloor gezuiverd water? Rode ogen, palmbomen van gerecycled plastic, schelle fluitjes met wakende ogen. Het decor van het ultieme zwemparadijs. Ik geef je er een paar jonge koters bij. Glijbaan op, glijbaan af, ijsjes, kleine onenigheden. De tijd tikt als een bom die maar niet wil ontploffen. Gegil, gelach, een sirene voor het golfslagbad. In je ooghoeken zie je het boek liggen dat je hebt meegenomen. Je voelt je schuldig omdat je met je handdoek een stoel bezet houdt, terwijl je in het ondiepe water waadt. Je doet het niet expres. Je verblijft in een wankel evenwicht tussen aandacht voor de kinderen en de honger naar dat boek. Pagina 38. Er is net een gruwelijke moord gepleegd. Je hebt geen idee wie de dader is en voelt dat je nog maar aan het begin van de nodige intriges staat. Het lijk is gevonden in het varkenshok van een kinderboerderij. Een echte literaire thriller. Onderwijl lach je aanmoedigend vol ‘aandacht’ de goede kant uit. Het leven speelt zich af in een zwemparadijselijke twilightzone. Alles beweegt, bruist en leeft om je heen en jij staat in wachtstand. Niets aan de hand. Je gedrag is typerend, veelvoorkomend, we begrijpen elkaar. En dan! Ineens! Uit de geschilderde buitenlucht, valt een plens water op je kop. Je kijkt omhoog, en ja hoor, daar hangt het. Een emmertje met een aapje eraan vast. Met een beetje geluk eet hij ook nog een banaan type uitgestorven. Een weggedecoreerd pijpje voert water toe om hem opnieuw te vullen, het kreng. Met een lachend gezicht vervloek je, binnensmonds, de hele wereld.

Zeg het maar, zijn die emmertjes van voor of na de mensheid? Bedacht door een God of de Aapmens of een geniale opgevoerde versie anno twintigste eeuw. Waar zouden we zijn zonder onze tomeloze uitvindingsdrang, onze grappen, grollen en psychiaters. Een evolutionair dagje zwemparadijselijke twilightzone. En mijn boek? Mijn boek ligt nog droog open op pagina 38. Het lijk met zijn hoofd in een emmer water.

5 november 2019, Lieke van Rooijen, Atelier Papoe

Elfenwater

Door de grote ramen kijk ik naar de begroeide stoeptegels. Haar hoofd ligt met haar gezicht naar me toe gedraaid. Het lijkt alsof ze slaapt op een bedje van mos. Een dekentje van gras en bloemloze paardenbloemen, is van haar roerloze lichaam afgegleden. Ze ligt onwerkelijk dichtbij. In gedachte, raak ik het koude glas aan, met mijn handen. Ik wou dat iemand de lange zwarte gordijnen had gesloten, van zwaar zacht fluweel. Ik sluit mijn ogen en wrijf mijn koude vingers over mijn gezicht. Als ik mijn ogen open, is ze weg. Het lijkt alsof ze er nooit heeft gelegen. Natte herfstbladeren liggen als confetti verspreid over de tegels. Goudbruine kommetjes met elfenwater, steken af tegen het groene mos. Ze zijn haar komen halen, de elfen. Met duizenden tegelijk hebben ze haar dode lichaam opgetild en haar meegenomen, mijn dromen uit. Ik zoek haar aanwezigheid, dacht dat ze zich achter haar dode lichaam schuilhield, maar ze is er niet. Alleen stoeptegels die niemand bewandelt. Geen ziel, geen geest, geen windvlaag. De bomen kijken me zwijgend aan, stram en uit de hoogte, duizelingwekkend. Ik ben de antwoorden niet waard.

Ze was er maar even. Een voetstap in mijn leven. Net iets meer dan een begroeting. Een samen opgaan over de betonnen grauwe vloer. Een oranje winkelmandje dat ik niet mee had mogen nemen. Niemand die het zag, in deze winkel vol oude spullen. Maar haar verdwijning blijft spoken in mijn hoofd. Ze ligt daar in het gat van mijn geheugen. Ik twijfel haast, of ik haar überhaupt wel heb ontmoet. Haar sporen maken onze ontmoeting echter onomkeerbaar. Haar haren verstrikt in mijn borstel, haar te strakke truitje, weggemoffeld in mijn kledingkast.

Ik teken elfjes op het papier. Maagdelijk witte blaadjes met zachte randjes en een bakje zachte grijze potloden. Gelukkig heb ik een bakje vol. Geen puntenslijper, nergens een puntenslijper. “Maak je maar niet druk,” had de man gezegd. “We vullen je bakje wel bij met mooie potloden, zo gauw dat nodig is. Het zijn er precies tien.” Ik had geknikt en ben verder gegaan met tekenen. Er kunnen heel veel elfjes op één papiertje. Ze zijn heel klein, maar wel heel sterk. Ze lijken lief, maar dat zijn ze niet. Ze houden je voor de gek en zijn vliegensvlug. Zo vlug dat mensen ze gewoon niet zien. Ik ben bijzonder. Ik zie ze wel en dat vinden ze hier niet leuk.

De elfjes wilden haar hebben. “Haar willen we! Zij met de lange blonde haren,” riepen de elfenstemmetjes. Ze hadden het tegen mij, niemand anders kon ze horen. Ik ben bijzonder.

Ik heb de elfen al een tijdje niet gezien. Ze kunnen hier niet naar binnen, denk ik. Ik krijg ook pilletjes tegen de elfenziekte, zodat ik net als de anderen word, een elfenblinde. Ze pakken al het bijzonders van mij af. Mensen houden er niet van als je anders bent. Ze doen net of je gek bent en daar verzinnen ze dan allemaal mooie termen voor. Indrukwekkende medische termen, die je kunt bestuderen. Ik zit in de maak-haar-net-als-ons-fabriek, met zachte potloden en zonder puntenslijpers. Ik weet wel waarom ik geen puntenslijper mag. Een puntenslijper heeft een mesje. Precies 10 potloden. Ze worden nageteld. 

Het is fris buiten. Alle bankjes staan langs het pad. Daar wil ik niet zitten. Ik wil opgenomen worden door de bladeren. Mij verstoppen tussen takjes en prikkend struikgewas, opgerold als een egeltje. Misschien kom ik haar dan weer tegen. Haar vinger of een stukje van haar haar. Ik weet niet of ze haar helemaal gevonden hebben. Niemand wil het mij vertellen. Ze zijn gestopt met naar haar te vragen, dus ik denk dat ze de puzzel hebben gelegd.

Op het grasveld staan hoge bomen, Aan de rand, waar de struiken beginnen, staat een hek. Ik heb alleen de bladeren om mee te spelen. Ik pak ze op en gooi ze in de lucht, ze dwarrelen weer naar beneden. Ik roep de elfen: “Ik ben buiten en dans met jullie bladeren!” Ik draai en draai, grijp bladeren van het gras en zwiep ze de lucht in. Duizelig strijk ik neer op het koude gras. De wereld draait rondjes om mij heen. Dikke tranen rollen over mijn wangen. “Ik wilde het niet doen, ik wilde het niet! Het waren de elfen. Ik heb jullie toch gezegd? Het waren de elfen!”

Een man en een vrouw nemen mij mee naar binnen. Ik heb het koud en voel me verwart. De wereld draait nog steeds, de blaadjes blijven vallen. De elfen laten zich niet zien. Ze komen als ik gek ben, dus misschien gaat het wel beter met me. 

Dagen gaan voorbij. Ze kunnen verdwijnen in het gat van je geheugen. Dagen blijken maanden, dwarrelen door elkaar als de vallende blaadjes, verdwijnen onder een witte donzen deken. Nieuwe groene blaadjes ontvouwen zich wonderlijk aan de hoge bomen.

Voor mijn huis staat hij, vriendelijk naar mij te knikken. Hij woont hier langer dan ik. Via zijn wortels praat hij met de andere bomen. Ik wou dat ik ook zulke wortels had. Vol verlangen staar ik naar zijn geaarde voeten.

Ineens weet ik het. Ik gris een sleutel van de muur. Loop haastig naar het schuurtje in de achtertuin, pak mijn tuinschepje en loop door het huis naar de boom op straat. Ik hoor mijn voordeur door de wind hard dichtklappen, maar het maakt me niet uit. Ik wil niet meer naar binnen.

Tussen twee boomwortels in steek ik het schepje in de grond. Voorzichtig, graaf ik een gat. Ik hoef niet eens zo diep. De contouren van een klein handje, zwart van de aarde, komt tevoorschijn. Ik pak het handje uit de kuil en veeg zoveel mogelijk aarde van haar af. Het huidkleurige plastic komt dof tevoorschijn. De rode verf is van haar nageltjes geschaafd. De vingertjes zijn iets gekromd. Er zitten stukjes stof aan het polsje waar het armpje ooit begon. Ze bloedde synthetische vulling, weet ik nog. Haar vingers herinneren mij aan een stukje van mijn wortels.

Ik leg haar terug in het gat en bedek het handje weer met aarde en een laatste traan. Ik kijk omhoog naar de takken van de boom en dank hem voor het elfenwater. Nu weet ik tenminste, waar mijn wortels zijn.

16 november 2019, Lieke van Rooijen, Atelier Papoe